donderdag 20 juli 2017

DE ROODE LOOP IN NUTH (door Rich Claessens)

In november 1747 schreef pastoor Hendrik Wolters in het parochieboek (DTB-boek: "Dopen, Trouwen, Begraven") van Nuth dat er in dat jaar 77 volwassen en kinderen aan dysenteria waren overleden. 

Parochie DTB boek 1781 Nuth
In de volksmond heette die ziekte de roode loop. Je had buikklachten met bloedige diarree en daar kon je in korte tijd ernstig door verzwakken en overlijden. Oude mensen en kinderen liepen het grootste risico, volwassenen konden er beter tegen. Dysenterie is een besmettelijke ziekte. De bacterie werd meestal door besmet water overgebracht. Maar ook iets aanraken waarop de bacterie zat kon genoeg zijn om de ziekte te krijgen. Vliegen zijn bekende bacteriedragers en iedereen die vroeger bij een Limburgse boerderij met een mesthoop is geweest weet dat er daaraan geen gebrek was. In die mesthoop zat niet alleen de mest van dieren, ook wat mensen produceerden lag er op, met dysenteriebacteriën.  En vliegen wassen hun pootjes niet als ze van de mesthoop naar je boterham vliegen. 

Dat jaar was de zomer heet en lang: in de warmte overleeft de bacterie beter. In Europa waren er veel conflicten en huurlingen van de hertog van Cumberland bivakkeerden in de buurt van Maastricht. Zij plunderden de regio waarbij alle voorraden verdwenen, zelfs het zaaigoed voor het komende jaar. Als eten zeldzaam wordt, dan wordt alles, ook met vliegen erop gegeten, zelfs als het bedorven is. Niet verbazingwekkend dat er toen een 'roode loop'-epidemie uitbrak. (2)

Ruim dertig jaar later. Op 1 augustus 1781, weer een jaar met een warme zomer, noteerde pastoor Joannes Scherpenseel dat Maria Dilbrouck uit het Horen, in 1760 getrouwd met Petrus Houben overleden is aan dijssenteria. De volgende dag werd ze op het kerkhof begraven. 
In augustus noteerde hij nog tien personen die aan de ziekte overleden, vooral in Grijzegrubben. Het waren meestal kinderen onder de tien jaar, maar ook een paar volwassenen. De ongehuwde Anna Boudts werd slachtoffer en Scherpenzeel schrijft dat ze een in ellendige omstandigheden verkerende oude vrouw (miserabilis vetula) was. Er staat niet bij dat ze de laatste sacramenten heeft ontvangen; het volgende slachtoffer, Maria Elisabeth Hautvast, de vrouw van Jacob Drummen uit Grijzegrubben was wel ten volle bediend. 

Tot 26 oktober 1781, drie maanden na het begin moest de pastoor 78 keer noteren dat iemand aan de ziekte overleed. In het begin schreef hij voluit ex dijssenteria, later kortte hij het af tot ex dijss. Er overleden in die periode nog zes personen aan een andere ziekte waarbij twee maal werd genoteerd dat apoplexia, een beroerte, de oorzaak was. Drie keer noteerde de pastoor geen oorzaak, maar bij Christiaan, de in 1764 geboren oudste zoon van de pachter van de hoeve Leeuw Willem Frijns staat dat hij stierf aan een slopende ziekte, mogelijk tuberculose. Er staat ook dat hij in de kerk werd begraven in het familiegraf Brands: zijn grootmoeder was er een van Brands. Die Brandsen waren tot kort daarvoor de molenaars van Kathagen en ze konden zich kennelijk een graf in de kerk permitteren. Maar in 1781 was daar geen Brands meer molenaar, dat was toen Petrus Kleintjens, getrouwd met Elisabeth Franssen. Op 8 september overlijdt in molendino de Cathaegen hun dochter Maria Angelina, vier jaar oud aan dysenterie, drie weken later haar zusje Maria Elisabeth, zes jaar oud en een week daarna Petrus zelf, door pastoor Scherpenseel molenaar van Kathagen genoemd.

Die week sterft ook de ongehuwde Catharina Kleintjens in molendino de pletsch, de Pletsmolen aan dysenterie. Daar was Nicolaus Kleintjens molenaar, maar deze Catharina is niet zijn dochter. Niet alleen de familie Kleintjens werd getroffen, ook de ouders Nuchelmans uit het Hullenbroek moesten drie kinderen begraven. En in Hellebroek was nog meer ellende: op 27 en 30 september overleed er een kind van de familie de la Haye. Drie dagen later stierf moeder Anna Maria de la Haye-Drummen. Tenslotte, einde oktober, hun jongste kind Johannes Antonius, acht maanden oud. In 1779 was al een dochter overleden, zodat weduwnaar Antonius de la Haye met twee van zijn zes kinderen alleen achterbleef. 

In dat Hellebroek overleden in die periode 18 personen, waarvan één aan een beroerte: Anastasius Heuten uit Hoensbroek. Een paar dagen later stierven zijn vrouw Anna Coenen, zijn tienjarige zoon en een achtjarig dochtertje aan dysenterie. In voorafgaande jaren had dit echtpaar al vier van zijn tien kinderen begraven. In Grijzegrubben overleden dertien personen, tien jonger dan twintig jaar. Bij twee zuigelingen, een tweeling van nog geen maand uit de familie Leunissen-Lensen noteerde de pastoor geen overlijdensoorzaak. Vaesraed telde vier slachtoffers, de drie uit de molen van Cathaegen niet meegeteld. In Nuth, in pago, in het dorp, schrijft de pastoor waren er 9 sterfgevallen, evenveel als in Tervoorst. De familie Drummen, wonend op den Tijber verloor 3 kinderen. De Tijber is vrijwel zeker de naam van een aantal huizen op de Kamp. In de andere buurtschappen zoals Hunnecum, Helle, Horen, Nirven en Nieuw Weij overleden 2 tot 4 personen.

Als in onze tijd een epidemie van deze omvang zou heersen dan was er grote opschudding. De kranten zouden er bladzijden over vol schrijven. In die tijd waren er ook kranten, maar berichten over de epidemie in Nuth, omliggende dorpen en steden ontbreken.

In 1747 meldde de Amsterdamse Courant het overlijden van één officier aan de roode loop in Maastricht; er waren in die periode ook in die stad tientallen slachtoffers. Waarom dan alleen dat bericht over Knop luytenant collonel van de artillery daer? Was hij in Hanover? De dominee van de St. Jan in Maastricht meldt zijn overlijden niet.

Ook schreef die krant dat de ruim tachtig jaar oude ter dood veroordeelde Lord Lovat in de Tour (Tower) in Londen leed aan roode loop, maar dat hij toch werd onthoofd, hetgeen dubbelop lijkt. In dat jaar zijn er 24 artikelen te vinden over de hertog van Cumberland, die bij Maastricht bivakkeerde, maar over de duizenden doden door de roode loop of de door hem veroorzaakte hongersnood: geen woord. Het overlijden aan deze ziekte en plunderen waren kennelijk zo normaal dat dat geen nieuwswaarde had: de hertog zelf wel.

In 1781 schrijft de Groninger Courant over roode Loop in Dantzig, vooral om op te merken dat het leger om die reden uit de stad trok. Maar over een epidemie in onze landen: weer niets.

De epidemie hoorde er kennelijk gewoon bij. Dat blijkt ook uit de beschrijving die H. Thijssen in 1824 van die epidemieën geeft. Ze kwamen te vaak voor, niets om te melden dus.

Uit het boek van Thijssen (1.)
Men wist dat warm weer de uitbraak bevorderde maar verder gaven de doctoren er in onze ogen vreemde verklaringen voor als toegenomen elektriciteit in de atmosfeer, eten van onrijp fruit enz. Men wist ook dat roode loop  besmettelijk was: er was denkelijk een smetstof, die zich soms jaren verborgen hield, maar onder bepaalde omstandigheden weer opdook. Dat die “smetstof” een bacterie was wist men niet. Het zou nog bijna 200 jaar duren eer een bacteriedodend middel werd uitgevonden. Men gaf kinabast, die wel hielp bij malaria, maar niet bij dysenterie. De onderbouwing van een behandeling was vaak alleen dat beroemde doctoren van nog vroeger meenden dat ze hielp. Meer had men niet, men wist niet beter. Toch gebruikten ze ook goede behandelingen. De zieke kreeg vaak het aftreksel van wilgenbast waarin aspirine zit. Het verlaagt de koorts. Men gaf ook heulsap, het sap van de papaverbol dat morfine bevat. Daardoor wordt de beweeglijkheid van de darmen geremd en het vochtverlies door diarree verminderd. Bij braken moest de zieke veel lauw water of kamillen drinken: ook dat kon de uitdroging voorkomen die vaak tot de dood leidde. Maar desondanks: in die tijd stierf een op de drie patiënten aan de loop, schreef Thijssen in 1824. In 1747 en 1781 was dat ongeveer tien procent van de bevolking van de parochie Nuth in drie maanden tijd. En van die overledenen was de helft jonger dan tien jaar en drie kwart onder de dertig.

1. H.F. Thijssen: Geschiedkundige Beschouwing der Ziekten in de Nederlanden. Amsterdam 1824.
2. W.A.J. Munier: Enkele episodes uit de geschiedenis van Heerlen tijdens de Oostenrijkse Successie-oorlog (1740-1748). Het land van Herle, 1991.
3. J. Quarin: Verhandeling over de geneeswyze der onsteekende ziektens. Vertaling door Anthony Laurillard. Amsterdam 1789.
4. M. van Geuns: De Heerschende Persloop (dysenteria epidemica). Harderwijk 1784.
5. DTB-boeken en Indexen van Nuth en Maastricht, gescand door Family Search  op zoekakten.nl.

6. Delpher krantenarchief van de KB.




Geen opmerkingen:

Een reactie posten