Een schets van de St. Bavo Kerk van Nuth vóór 1763.

 


Een schets van de St. Bavo kerk van Nuth vóór 1763.

De huidige kerk van Nuth vertelt een verhaal dat veel verder teruggaat dan de leeftijd van haar eigen muren. Wat we vandaag zien, is namelijk niet zomaar een kerkgebouw, maar het resultaat van eeuwen van bouwen, herstellen en aanpassen. In feite vormt zij een uitbreiding van de kerk die in 1763 werd gerealiseerd, terwijl de oorsprong van deze plek vermoedelijk terug gaat tot in de 13e eeuw. Een tastbare herinnering aan die vroege tijd is de eeuwenoude doopvont, die als stille getuige de tand des tijds heeft doorstaan.

Van de kerk vóór 1763, zijn geen afbeeldingen bewaard gebleven. Toch is er wel iets bekend van haar geschiedenis. Op basis van verschillende bronnen en aanwijzingen kunnen we ons een redelijk beeld vormen van dit verdwenen godshuis. Zo staat vast dat deze oudere kerk exact op dezelfde plek stond als haar opvolger – en dus ook als de huidige kerk. Opmerkelijk is dat men bij de bouw van de nieuwe kerk in 1763 ervoor koos om deze letterlijk om en over de bestaande kerk heen te bouwen. Hierdoor konden de kerkdiensten tijdens de werkzaamheden gewoon doorgaan, een bijzonder staaltje van praktisch denken én een teken van de sterke verbondenheid met deze plek.

De oude kerk was eigendom van het Domkapittel in Aken. In het stadsarchief van Aken bevindt zich nog altijd een tekening van de fundamenten, waarop niet alleen de afmetingen zijn vastgelegd, maar ook de positie van de ramen. Dit document biedt een inkijkje in een gebouw dat zelf allang verdwenen is.

Dat de oude  kerk haar beste tijd had gehad, blijkt uit de vele discussies die voorafgingen aan de nieuwbouw. Meer dan zeventig jaar lang, tussen 1690 en 1763, werd er voortdurend opgelapt, hersteld en geïmproviseerd. Dak, schip en toren verkeerden in slechte staat en vroegen telkens opnieuw om ingrijpen. De bouwvallige kerk bestond uit een lage toren, die opvallend genoeg niet aan de westzijde stond – zoals gebruikelijk – maar aan de noordkant van het schip. Daarnaast had het gebouw een middenschip en twee aangebouwde zijbeuken.

Oorspronkelijk was het gewelf van steen gemetseld, maar vanwege de slechte staat werd dit in 1698 door het kapittel van Aken vervangen door een eenvoudig plafond van hout en leem. Om instorting te voorkomen, werd het schip bovendien versterkt met houten balken, wat het interieur weinig sierlijk maakte. In 1719 moest opnieuw worden ingegrepen: het dak werd hersteld, de vloer aangepakt en het interieur opnieuw gepleisterd en gewit.

Uit archiefstukken blijkt hoe deze werkzaamheden werden uitgevoerd. Het middenschip werd dat jaar gepleisterd, gewit en van onderen zwart afgezet door de stukadoors Goert en zijn zoon Lienaert uit Simpelveld. Tegelijkertijd lieten de burgemeesters Jan Limpens uit Hellenbroek en Claes Treijns van Nierven, namens de gemeenschap, de zijbeuken en het klokkenhuis behandelen.

Toch bleven deze ingrepen lapwerk. In 1722 moest opnieuw worden bijgesprongen om het gewelf en de vloer van het schip te herstellen. De metselaar Peters Horsmans van ’t Overbroek voerde deze werkzaamheden uit, terwijl timmerman Jan Meys uit ’t Horen een beschadigde balk verstevigde met ijzeren banden en nieuwe klokkenschragen maakte.

Het probleem was echter structureel. Volgens het toenmalige gebruik lag de verantwoordelijkheid voor het onderhoud verdeeld over drie partijen: het kapittel van Aken droeg zorg voor het schip als tiendeheffer, de pastoor was verantwoordelijk voor het koor en de parochiegemeenschap moest instaan voor toren en zijbeuken. Deze verdeling maakte besluitvorming lastig. Geen van de partijen voelde veel voor de hoge kosten van volledige nieuwbouw en men koos daarom telkens weer voor tijdelijke oplossingen.

Al in 1697 had de toenmalige pastoor, Godefridus Henricus van Leijen, gewezen op de onhoudbare toestand van de kerk. Zijn waarschuwing werd echter lange tijd slechts beantwoord met minimale herstellingen. Pas toen duidelijk werd dat verdere reparaties geen zin meer hadden, groeide het besef dat nieuwbouw onvermijdelijk was.

Zo kwam uiteindelijk in 1763 de beslissing tot stand om een nieuwe kerk te bouwen. Daarbij kreeg de toren, anders dan voorheen, een plaats aan de westzijde – een verandering die het silhouet van de kerk blijvend zou bepalen. De nieuwe kerk markeerde niet alleen het einde van een langdurige periode van verval en noodreparaties, maar ook het begin van een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van deze eeuwenoude plek in Nuth.

 


Reacties

Populaire posts van deze blog

Zorg dat je erbij komt, bij de Marine. Geef Acht!

Een adellijke ruzie op de Kermis in Nuth in 1406

ARBEIDSINZET, dwangarbeid tijdens de 2e Wereldoorlog