Het grensgeschil tussen Nuth en Spaubeek
Het grensgeschil tussen Nuth en Spaubeek en de Tiendeklok
Vroeger viel er geen blauwe envelop op de deurmat maar
luidde de Tiendeklok. Voor alle boeren
(en iedereen was boer) het signaal om een tiende van de oogst apart aan de rand
van het veld klaar te leggen zodat het opgehaald kon worden door de Tiendgaarder
(de belasting ontvanger)
In de achttiende eeuw waren de grenzen tussen Nuth en
Spaubeek allesbehalve duidelijk. Niemand had ooit de moeite genomen ze netjes
vast te leggen. En zolang er geen ruzie was, vond men dat ook niet zo erg. Maar
zodra er geld – of beter gezegd: belastingen – in het spel kwamen, werd zo’n
onduidelijke grens ineens een groot probleem.
De inwoners van Spaubeek waren ervan overtuigd dat de Wijenweeg,
de oude weg van Schimmert naar Schinnen, de natuurlijke grens tussen beide
dorpen vormde. Alles aan hun kant van de weg was dus Spaubeeks grondgebied.
Maar daar dacht de pastoor van Nuth heel anders over.
Omdat de heer van Reijmersbeek namelijk rustig verder ging met
jagen tot aan de overkant van diezelfde weg, alsof het allemaal nog bij zijn
gebied hoorde deed de pastoor van Nuth precies hetzelfde met zijn tiendrecht:
hij inde zijn kerkbelasting ook bij boeren die volgens Spaubeek eigenlijk op
hun grondgebied woonden.
Dat ging een tijdje goed – tot er in 1764 een praktische
kwestie op tafel kwam. De kerk van Spaubeek had namelijk een nieuwe tiendeklok
nodig. Zo’n klok werd geluid wanneer het tijd was om de tienden te innen: de
belasting die boeren moesten betalen in de vorm van een tiende deel van hun
oogst
De Spaubeekenaren vonden het daarom niet meer dan logisch
dat de pastoor van Nuth mee zou betalen aan de nieuwe klok. Als hij immers ook
de tienden inde bij boeren over de Wijenweeg, dan moest hij ook maar bijdragen
aan de klok die dat alles aankondigde.
Maar de pastoor van Nuth dacht daar anders over. Hij
weigerde kortweg. Volgens hem waren die tienden namelijk leenroerig aan het huis
van Reijmersbeek. Met andere woorden: hij voelde zich niet verantwoordelijk
voor een Spaubeekse kerkklok.
En zo werd een eenvoudige kerkklok ineens het middelpunt van
een ouderwetse dorpsruzie.
De Tiende belasting
De tiend, ook wel de tiende genoemd, was een belasting die
al eeuwenlang bestond. In theorie bedroeg die precies een tiende van de
opbrengst van het land: graan, rogge, haver – en zelfs van het vee dat op de
boerderij werd geboren.
Oorspronkelijk was deze belasting bedoeld om de kerk te
onderhouden en de pastoor te laten leven. Want hoe vroom een geestelijke ook
was, uitsluitend van hosties, miswijn en het woord van de Heer kon hij nu
eenmaal niet bestaan. Van de opbrengst van de tienden ging ongeveer een derde
naar de pastoor zelf.
Later veranderde dat systeem. Tiendrechten werden verkocht,
geschonken of verpacht. Daardoor konden ook wereldlijke heren – edellieden en
grondbezitters – ineens aanspraak maken op deze kerkbelasting.
Hier en daar herinneren nog oude tiendepalen aan die tijd.
Dat waren stenen grenspalen die aangaven waar het gebied van de ene tiendheer
eindigde en dat van de ander begon.
Wanneer de tiendeklok luidde wist iedereen wat er ging gebeuren. De
tiendgaarder trok dan langs de akkers.
De oogst lag al netjes in schoven op het veld. Dat maakte
zijn werk eenvoudig. Hij hoefde alleen maar elke tiende schoof (soms zelfs elke
elfde) uit de rij te trekken en op de tiendkar te laden. Die werd vervolgens
naar de schuur of zolder van de tiendpachter gebracht.
Hoe men het precies oploste met pasgeboren kalveren, biggen
en lammeren, blijft een klein raadsel. Maar vast staat dat de boer zijn
belasting in natura betaalde.
De tiendgaarder zelf was trouwens ook maar een eenvoudige
loonarbeider. Hij leverde alles af bij de tiendpachter en kreeg daarvoor een
bescheiden loon.
Iedereen die land bewerkte moest meebetalen. In feite was de
hele parochie tiendplichtig.
En als je het zo bekijkt, waren de boeren van toen misschien
nog niet eens zo slecht af. Hun belasting bedroeg immers “slechts” tien
procent.

Reacties
Een reactie posten