Het boerenleven in en om Nuth in de vorige eeuw
Het boerenleven in en om Nuth in de vorige eeuw: een tijdperk vol verandering
Een
beschrijving van het plattelandsleven en de agrarische ontwikkeling in de
twintigste eeuw op basis van de herinneringen van Giel Peusens van G’n Nuuj
Hoes ( Terstraten Nuth)
Het leven in en om Nuth rond 1900.
Wie na de Tweede Wereldoorlog
is geboren, kan zich nauwelijks voorstellen hoe ingrijpend het leven op het
Limburgse platteland de afgelopen eeuw is veranderd. Niet alleen de
leefomstandigheden van de boerenbevolking zelf ondergingen een grote omslag,
ook het boerenbedrijf maakte een ware ontwikkeling door dankzij mechanisatie en
technische vooruitgang. Daarbovenop veranderde ook de mentaliteit van de boer:
waar vroeger traditie en noodzaak de boventoon voerden, kwam geleidelijk meer
ruimte voor ontwikkeling en vooruitgang.
Om dat goed te begrijpen, moeten we terug naar het begin van de twintigste
eeuw. In de eerste helft daarvan werd Europa opgeschrikt door twee
wereldoorlogen, die ook in Limburg hun sporen nalieten in het dagelijks leven
op het land — soms als tegenslag, soms ook als katalysator voor verandering.
Rond 1900 was van grootschalige industrie in Zuid-Limburg nog nauwelijks
sprake. De steenkolenmijnen waren nog in opbouw en boden nog niet de
werkgelegenheid die ze later zouden brengen. Daardoor beschikten boeren in die
tijd over relatief veel arbeidskrachten.
Wie niet als kleine zelfstandige boer het hoofd boven water kon houden, was
aangewezen op werk elders. Velen trokken daarom de grens over naar Duitsland,
waar onder meer de grote industriële werken in Rothe
Erde bij Aken werk
boden. Dat was geen eenvoudige onderneming: dagelijks legden arbeiders lange
afstanden te voet af, vaak omdat openbaar vervoer ontbrak en de fiets nog geen
gemeengoed was. Er zijn verhalen van mannen die ’s ochtends al om vier uur
vertrokken, urenlang door weer en wind liepen, vervolgens tien uur arbeid
verrichtten en pas tegen acht uur ’s avonds uitgeput weer thuis waren.
Voor velen was dat geen houdbare situatie. Daarom vonden de meeste
dorpsbewoners werk op de grotere boerenbedrijven in de omgeving, als dagloner
of in vaste dienst, vaak met kost en inwoning. Jongens die de school verlieten,
kwamen al op jonge leeftijd bij een boer terecht. Kleine boerengezinnen hadden
het zelf immers zwaar en probeerden hun lasten te verlichten door kinderen zo
snel mogelijk mee te laten verdienen — een extra inkomen én een mond minder om
te voeden.
Het was gebruikelijk dat kinderen zich voor een heel jaar verhuurden, met
vaste ingangsdata rond april of oktober. De ouders onderhandelden daarbij over
het loon. Soms werden er specifieke voorwaarden gesteld, vooral voor meisjes.
Zo kon het voorkomen dat de boerin verplicht was om elk half jaar een stevige
blauwe werkschort te verstrekken, geschikt voor het zware en vuile werk op de
boerderij.
Het loon stelde weinig voor. Voor een jaarloon van rond de 300 gulden moest
men al redelijk ervaren zijn. Daar stond
wel tegenover dat kost en inwoning inbegrepen waren, evenals het zogeheten
drinkgeld bij de verkoop van vee. Voor een verkocht varken ontving men
bijvoorbeeld 30 cent, en voor een big 6 cent — een kleine vergoeding voor het
werk van de stalmeid. Als er geen aparte koeienjongen was, kreeg de meid ook
het drinkgeld van koeien en kalveren: ongeveer 50 cent per koe en 30 cent per
kalf.
Jongens begonnen vaak als koeien- of varkensjongen. Hun werk bestond uit het
schoonhouden van de stallen, het voeren en drenken van het vee en — zeker in de
zomer — het verzorgen van de weiden. Daarbij hoorde ook het met de riek uit
elkaar trekken van de koeienmest in het veld, zodat deze beter kon verteren.
Daarnaast begeleidden ze het vee naar andere weiden of zorgden ervoor dat de
dieren voldoende vers voer hadden, bijvoorbeeld wanneer ze op stoppelklaver
stonden, het zogenoemde “veurhout”.
In drukke tijden, zoals tijdens het oogstseizoen, werd van iedereen verwacht
dat hij of zij meehielp waar dat nodig was. Dan werkten zowel de stalmeid als
de jongen mee op het land, van vroeg in de ochtend tot laat in de avond. Het
boerenleven was hard, eenvoudig en veeleisend — maar vormde tegelijk de basis
van een samenleving die sterk geworteld was in arbeid, saamhorigheid en het
ritme van de seizoenen.
De seizoenen bepaalden het werk
Na de wintermaanden, wanneer het weer het enigszins toeliet, verplaatste het
werk zich naar het erf en de boomgaarden. Dan trok men eropuit om hout te
kappen en oude fruitbomen te rooien. De stammen werden met de kortzaag in
handelbare stukken gezaagd en vervolgens met de kloofbijl tot brandhout
gespleten. Ook het takhout ging niet verloren: de dunnere twijgen werden van de
dikkere takken gescheiden en samengebonden tot takkenbossen — zogenaamde
schansen — die men liet drogen om later te gebruiken in de bakoven. Het
zwaardere takhout werd eveneens verwerkt tot brandhout, bestemd voor het stoken
van de veevoerketels.
De weilanden waren in die tijd vaak omzoomd door stevige hagen van
haagdoorn, die men bewust hoog liet opschieten. Eens in de vijf à zes jaar
werden deze heggen met beitel en hamer gekapt en opnieuw verwerkt tot schansen.
Tegelijk werden geschikte takken geselecteerd om zwakke plekken in de heg te
herstellen en te verstevigen. Dit onderhoud was jaarlijks terugkerend werk,
onmisbaar om het vee binnen de weiden te houden.
Met het voorjaar in aantocht begon het schoonmaken van de weiden. Men
gebruikte daarvoor zelfgemaakte bezems van dunne doorntakken om het land als
het ware “op te poetsen”. Vooral de natte, laaggelegen weilanden en beemden
vroegen extra aandacht. In de winter waren daar de sloten en afwateringen al
schoongemaakt en waar nodig vernieuwd, zodat het land in het groeiseizoen weer
bruikbaar werd.
Zodra het weer het toeliet, begon het echte veldwerk. Mest werd uitgereden
en met de hand verspreid, waarna men ging ploegen en zaaien. Alles gebeurde met
eenvoudige, vaak primitieve werktuigen die door paarden werden getrokken. Het
grootste deel van het bouwland werd ingezaaid met rogge, daarnaast verbouwde
men haver, tarwe en gerst. Ook kwamen gemengde gewassen voor, zoals
paardenbonen met haver, en hier en daar een perceel spelt — vooral bedoeld als
paardenvoer.
Voor het werkpaard zelf werd altijd een ruim stuk land ingezaaid met rode
klaver. Een deel daarvan werd gehooid om als wintervoer te dienen. Aardappelen
werden wel geteeld, maar meestal op bescheiden schaal. Slechts enkele bedrijven
verbouwden ze voor de verkoop aan particulieren. Voederbieten waren er vooral
voor eigen gebruik, terwijl sommige boeren — met name in de buurt van een
siroopfabriek — al vroeg in de eeuw op contractbasis suikerbieten teelden.
Daarnaast had vrijwel ieder bedrijf een klein perceel met wortelen voor het
vee.
Het onderhoud van de gewassen was zwaar werk. Wieden en hakken gebeurde
volledig met de hand en vergde veel tijd en inzet. Na deze periode brak de tijd
van het hooien aan: het gras werd gemaaid, gedroogd en binnengehaald. Daarna
volgde de oogsttijd, een van de drukste en zwaarste perioden van het jaar.
Rond half juli was de wintergerst doorgaans rijp en kon het oogsten
beginnen. Kort daarna, volgde de rogge, op lichtere gronden soms iets eerder.
Vervolgens kwamen tarwe, haver en de gemengde gewassen aan de beurt. Het
oogsten gebeurde grotendeels met de hand en vroeg een enorme inzet van iedereen
op de boerderij.
Aan het begin van de twintigste eeuw werd het grootste deel van het graan nog
met de hand gemaaid. Dat was zwaar en tijdrovend werk, dat lange dagen vergde.
Al vroeg in de ochtend trokken de mannen naar het veld, waar zij met de zeis
het graan maaiden en schoof na schoof neerlegden. Enkele uren later verschenen
de bindsters op het land. Zij brachten niet alleen hun arbeid mee, maar ook
koffie en boterhammen voor de zichters, die al uren aan het werk waren.
Zodra de bindsters de mannen hadden ingehaald, begonnen zij met het binden
van de schoven. Daarna werden deze in groepjes van tien tot twaalf tegen elkaar
gezet, zodat ze goed konden drogen op het veld. Rond het middaguur keerde men
huiswaarts om te eten en kort te rusten. Na een paar uur ging het werk opnieuw
verder. De bindsters volgden al snel, vaak met grote stenen kruiken bier om de
dorst te lessen tijdens het zware werk.
Tegen een uur of vier werd er opnieuw een korte pauze gehouden, met koffie
en brood. Daarna werkte men door tot de avond viel. Pas dan keerde men, moe en
bezweet, huiswaarts. Na zich wat te hebben opgefrist en het avondmaal te hebben
gebruikt, zocht men de rust op om de volgende dag opnieuw vroeg te beginnen.
Op de grotere boerderijen ging het er soms anders aan toe. Daar werden
complete percelen in akkoord gegeven aan seizoenarbeiders, die er belang bij
hadden het werk zo snel mogelijk af te ronden. Het maaien gebeurde dan vaak in
hoog tempo, maar het binden en het opzetten van de schoven bleef meestal het
werk van het vaste personeel. Als het weer gunstig was, werden de gedroogde
schoven vervolgens naar binnen gehaald en opgeslagen in de schuur of op het erf
in mijten, in afwachting van het dorsen in de winter.
Zodra een perceel rogge was binnengehaald en in lange rijen — op de kast —
was gezet, werd het land meteen opnieuw bewerkt. De stoppels werden omgeploegd
en ingezaaid met stoppelknollen. Wanneer de oogst volledig binnen was of in
mijten lag opgeslagen, ging men het land nogmaals bewerken: de stoppel werd
“geschild” en geëgd om wortels en onkruid los te maken, die vervolgens werden
verzameld en verbrand.
Tegen het einde van augustus en in september begon het zogenaamde akkeren.
De grond werd diep omgeploegd ter voorbereiding op het volgende seizoen. Een
deel van het land liet men echter slechts licht omgeploegd liggen gedurende de
winter — het zogeheten “braken” — bestemd voor de zomergranen en knolgewassen
van het volgende jaar. Vanaf half september werd opnieuw rogge ingezaaid.
Na de zogenaamde quatertemperdagen — de laatste week van september — begon
het rooien van de aardappelen. Ook dit gebeurde volledig met de hand. Kinderen
werden daarbij ingeschakeld om de aardappelen op te rapen. In oktober volgde
het rooien van bieten en wortelen, die vervolgens in kelders of in mijten
werden opgeslagen.
Men zorgde er altijd voor dat deze bietenmijten rond Allerheiligen goed waren
afgedekt, want de winter kon onverwacht invallen. Het laatste werk op het land
bestond uit het rooien van het stoppelgewas — de stoppelknollen — die als
veevoer dienden. Dit gebeurde vaak onder koude en gure omstandigheden, en
menigeen herinnerde zich later vooral de snijdende kou waarin dit laatste werk
van het jaar moest worden verricht.
Zodra de winter zijn intrede deed, begon op de boerderijen het dorsen — het
scheiden van graan en stro. In het begin van de twintigste eeuw gebeurde dit
nog met de hand, met behulp van de dorsvlegel. Vrijwel iedere schuur beschikte
over een speciale dorsvloer, meestal gemaakt van leem. Deze vloer werd in de
zomer zorgvuldig aangelegd: laag voor laag aangestampt, telkens weer losgemaakt
en opnieuw verdicht, totdat hij uiteindelijk zo hard werd als steen. In de
winter was zo’n vloer kurkdroog en uitermate geschikt voor het zware werk.
Op deze vloer legde men, afhankelijk van de beschikbare ruimte, tien tot
twaalf schoven tegelijk neer. Eerst werden de banden verwijderd, waarna het
dorsen kon beginnen. Op kleine boerderijen gebeurde dit met twee man, terwijl
men op grotere bedrijven met vier of zes personen tegelijk aan het werk was.
Door in een vast ritme te slaan, ontstond een bijna muzikaal samenspel: slag na
slag kwam het graan los uit de aren. Wanneer één zijde van de schoven was
bewerkt, werden ze omgedraaid en volgde de andere kant.
Na het dorsen werd het stro met een houten gaffel losgeschud, opnieuw
samengebonden en netjes opgeborgen. Het mengsel van graan en kaf dat
achterbleef, werd tegen de wand van de schuur geveegd. In de namiddag begon men
met het schonen van het graan. Aanvankelijk gebeurde dit met de wan: een soort
platte, schotelvormige mand van gevlochten tenen, die aan de voorzijde open
was. Door deze op en neer te bewegen, werd het lichtere kaf van het zwaardere
graan gescheiden.
Mechanisatie van de Landbouw
De wanmolen had ondertussen zijn intreden gedaan, een belangrijke
verbetering die het schonen aanzienlijk versnelde. Ook het dorsen zelf
onderging veranderingen. In de loop van het begin van de eeuw deden de eerste
dorsmachines hun intrede. Dat waren aanvankelijk eenvoudige apparaten: een
houten kast met daarin een trommel voorzien van tanden, waarboven een kam was
geplaatst. Via een tandwielmechanisme werd de trommel aangedreven door een
grote zwengel. Het was zwaar werk en leverde nauwelijks tijdwinst op ten
opzichte van de vlegel.
De echte vooruitgang kwam toen de dorsmachine werd gekoppeld aan een manege
— een aandrijving die door een of twee paarden in beweging werd gebracht. Deze
machines waren vaak uitgerust met een schudder, waardoor graan en kaf direct
van het stro werden gescheiden. Het stro kon meteen worden samengebonden. Na
ongeveer een uur werken lag er echter zoveel graan en afval onder de machine
dat men moest stoppen om alles op te ruimen. De paarden kregen dan even rust op
stal, terwijl de dorsvloer werd schoongemaakt en klaargemaakt voor een volgende
ronde.
Het vrijgekomen graan en kaf werd opnieuw tegen de muur geveegd en later,
meestal rond het middaguur, met de wanmolen gescheiden. Daarna werd het graan
naar de opslag gebracht. Zo werkte men de hele winter door, tot alle soorten
graan gedorst waren. Het werk was zwaar en vaak onaangenaam, zeker wanneer men
in de kou en nattigheid achter de paarden moest lopen om de manege gaande te
houden.
Opmerkelijk is dat, zelfs nadat de dorsmachine al in gebruik was genomen,
rogge vaak nog deels met de vlegel werd gedorst. Dat had een praktische reden:
het stro bleef op die manier gladder en beter bruikbaar. Het gedorste stro werd
vervolgens over de repel gehaald om onkruid en korte resten te verwijderen. Het
zuivere stro dat zo ontstond, werd stevig gebonden en later gebruikt voor het
maken van banden. Daarnaast vond het zijn weg naar de strofabrieken, waar men
er onder meer dakbedekking — zogenaamde dakpoppen — van maakte. Met de
voortschrijdende mechanisatie en het groeiende tekort aan arbeidskrachten
verdwenen deze arbeidsintensieve werkzaamheden echter geleidelijk.
De ontwikkeling van het dorsen ging in de loop van de tijd met sprongen
vooruit. Machines werden groter en efficiënter, en de wanmolen en dorsmachine
werden samengevoegd tot één geheel. Zogenoemde loondorsers trokken met deze
installaties van boerderij naar boerderij. Aanvankelijk werden ze aangedreven
door stoommachines, later door dieselmotoren, elektrische aandrijving of
tractoren.
Aan het begin van de eeuw verschenen de zichtmachines: eenvoudige maaimachines
die door twee paarden werden voortgetrokken. Ze werden doorgaans door twee
personen bediend — één om de paarden te mennen en één om het graan af te
leggen. Omdat er toen nog voldoende arbeidskrachten beschikbaar waren, konden
boeren daarnaast rekenen op een grote groep bindsters — soms wel acht tot tien
— waardoor men dagelijks flinke oppervlakten kon oogsten.
Later volgde de zelfbinder, een belangrijke stap vooruit. Deze machine kon
niet alleen maaien, maar ook het graan automatisch binden tot schoven. Daarmee
werd het groeiende tekort aan landarbeiders deels opgevangen. De zelfbinder
bleef in gebruik tot na de Tweede
Wereldoorlog. Kort na de oorlog deed de combine zijn intrede: een
machine die maaien, dorsen en zelfs het persen van stro in één werkgang kon
uitvoeren. Het graan werd direct in zakken opgevangen, terwijl het kaf op het
land achterbleef.
Deze machines namen geleidelijk alle eerdere oogstmethoden over en
markeerden het einde van een tijdperk waarin de oogst nog grotendeels
afhankelijk was van handarbeid en gezamenlijke inspanning op het veld.
Deze nieuwe machines betekenden een enorme besparing op arbeidskrachten, die
door de snelle industrialisatie en de stijgende lonen steeds moeilijker te
vinden waren. In de jaren daarna werden de machines verder ontwikkeld: groter,
krachtiger en met een steeds grotere capaciteit. Maaibreedtes van drie meter
waren geen uitzondering meer.
Toch hadden deze technische wonderen ook hun nadelen. Ze vereisten dat het
graan volledig rijp was en dat de bodem droog genoeg was om de zware machines
te dragen. Op natte, drassige grond konden ze eenvoudigweg niet werken.
Bovendien waren de aanschafkosten hoog, waardoor ze vooral in handen kwamen van
loonwerkers of zeer grote landbouwbedrijven. De zware machines tastten de
structuur van de bodem aan, en het gebruik van kunstmest nam de plaats in van
de traditionele stalmest. Daardoor verdween geleidelijk de natuurlijke humus
uit de grond, wat de bodem op den duur minder vruchtbaar en stugger maakte.
Met deze vooruitgang veranderde het boerenbedrijf ingrijpend. Veel van het
handwerk verdween, en daarmee ook een deel van de sfeer en de
gemeenschappelijkheid die het oude boerenleven hadden gekenmerkt. Wat bleef,
was een efficiënter, maar ook onherkenbaar veranderd landschap van arbeid en
techniek.
Het dagelijkse leven: Werken en Bidden
Het dagelijks leven op het platteland werd sterk bepaald door het boerenwerk.
Het merendeel van de dorpsbewoners werkte direct in de landbouw, maar ook wie
een ander beroep uitoefende, bleef vaak nauw verbonden met het boerenbestaan.
De smid, de kleermaker, de timmerman — en zelfs notabelen als de burgemeester
en de pastoor — zorgden er dikwijls voor dat zij een paar stukjes land en een
kleine weide bezaten. Daarmee probeerden zij, naast hun gewone werk, een deel
van hun eigen voedsel te verbouwen: wat graan, aardappelen en, als het mogelijk
was, het houden van een koe voor melk en boter.
Vrijwel ieder gezin hield daarnaast een of twee varkens en wat kippen. Voor
de minst draagkrachtigen waren geiten vaak een alternatief voor een koe. Wie
zelf geen land bezat, maar wel vee hield, kon soms gebruikmaken van een
regeling met de grotere boeren: het zogenaamde “boerenmesten”. De boer stelde
dan een stuk grond ter beschikking, dat door de kleine man werd bemest en
beplant, meestal met aardappelen. Dit was een wederzijds voordelige
overeenkomst: de kleine boer beschikte over zijn wintervoorraad, terwijl de
eigenaar van het land een goed bemeste akker overhield, geschikt voor een rijke
graanoogst. In ruil daarvoor hielp men tijdens de oogsttijd mee op het bedrijf.
Omdat de meeste dorpelingen geen paard bezaten, waren zij voor het zwaardere
werk — zoals ploegen, bemesten en zaaien — afhankelijk van de grote boer. Daar
stond tegenover dat zij hun arbeid aanboden wanneer dat nodig was: tijdens de
oogst, of in de winter bij het werk op de schuur. Ook kinderen werden al op
jonge leeftijd ingeschakeld om mee te helpen, zodat zij zo snel mogelijk konden
bijdragen aan het gezinsinkomen.
Deze vorm van wederzijdse afhankelijkheid bleef bestaan totdat Limburg
langzaam veranderde door de opkomst van industrie. Met de ontwikkeling van de
mijnbouw en fabrieken trokken steeds meer mensen weg uit het agrarische
bestaan. De boer zag zich daardoor genoodzaakt om het tekort aan
arbeidskrachten op te vangen met machines en werktuigen. Waar vroeger het erf
vol stond met knechten en paarden, volstonden later één of twee mensen met
zware tractoren om het werk te verrichten, vaak aangevuld door loonwerkers.
Naast het harde werken speelde het geloof een centrale rol in het leven van
de boerengezinnen. Men was ervan overtuigd dat het wel en wee van het bestaan
afhankelijk was van God. Oude spreuken gaven dat duidelijk weer, zoals: “Als de
Heer het huis niet bouwt, werken de arbeiders vergeefs.” Bij het begin van
zwaar of gevaarlijk werk sprak men vaak: “Laat ons beginnen in de naam des
Heren.” De paardenknecht sloeg bij het eerste werk van de dag een kruisteken en
begon met een kort gebed.
Ook in het dagelijks leven was dit geloof diep verankerd. Bij het opstaan
maakte men een kruisteken met wijwater en sprak men de bekende woorden: “In de
naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” Bij gevaar, zoals onweer, werd
eveneens gebeden en riep men de bescherming in van heiligen, waaronder Heilige Donatus, tot wie
veel Zuid-Limburgers zich richtten bij dreigend noodweer. Het gezin bad samen,
vaak de rozenkrans, en vertrouwde op de zegen van God voor het dagelijks
bestaan.
Hoe zwaar de omstandigheden soms ook waren — grote afstanden naar de kerk,
slecht weer, sneeuw of modderige wegen — toch gingen de boerengezinnen trouw
naar de kerk om te danken en om kracht te vragen voor de komende week. De
zondag en de kerkelijke feestdagen waren rustdagen, waarop alleen het hoogst
noodzakelijke werk werd verricht, zoals het verzorgen van het vee.
De zondag kende een vast ritme. Het eten was vaak al op zaterdag voorbereid,
zodat er die dag zo min mogelijk werk hoefde te worden gedaan. Na de kerkgang
kwam men samen aan tafel, waar de vader voorging in gebed. Na de maaltijd werd
er afgewassen — waarbij, als er onvoldoende hulp was, ook de jongens hun beurt
kregen.
In de winter werd ’s middags het vee nog gevoerd en had men daarna enige
vrije tijd. In de zomer zocht men ontspanning buiten. Jongens trokken naar de
beugelbaan of kegelbaan, of speelden eenvoudige spellen zoals “strepen”,
waarbij men probeerde een munt zo dicht mogelijk bij een getrokken lijn in de
grond te werpen.
Later op de dag ging men vaak opnieuw naar de kerk voor het lof. Ook al lag
de kerk op een flinke loopafstand, men ging er trouw naartoe. Daarna keerde men
huiswaarts, waar koffie en brood klaarstonden. Wie die zondag dienst had op de
boerderij, moest eerst het vee verzorgen voordat er ruimte was voor
ontspanning.
De jeugd vond haar vermaak in eenvoudige middelen. Toen het voetbalspel zijn
intrede deed, was het enthousiasme groot: met twintig tot vijfentwintig jongens
achter één bal aan, speelde men tot de avond viel. Het was een eenvoudige, maar
hechte en vaak plezierige tijd, waarin men met weinig middelen toch volop wist
te genieten.
Tijdens de lange winteravonden speelde het gezinsleven zich vooral
binnenshuis af. Men zat dicht bij elkaar, rond de tafel of bij het grote
haardvuur, waar de ouderen verhalen vertelden over vroeger. Die verhalen waren
vaak doorspekt met fantasie en vertellingen over spoken, heksen en andere
geheimzinnige verschijnselen, die bij de kinderen zowel spanning als
verwondering opriepen.
Toch had de avond ook een duidelijk vast ritme en een opvoedkundig karakter.
De kinderen moesten iedere dag hun catechismus leren. Vader of moeder nam
vervolgens de vragen af, zodat de kennis goed werd ingeprent. Rond acht uur
werd het avondeten opgediend, waarna het gezin gezamenlijk de rozenkrans bad.
Het geloof vormde ook hier weer een vast onderdeel van het dagelijks leven.
Tegen negen uur zocht men de rust op. Voor het slapengaan maakte de vader —
of een al meewerkende zoon — nog een laatste ronde langs de stallen om te
controleren of het vee rustig was en of poorten en deuren goed gesloten waren.
Pas daarna ging ook hij naar bed. Zo leefde de boerenfamilie volgens een strak
dagritme: vroeg naar bed en even vroeg weer op, klaar voor een nieuwe werkdag.
Wanneer de kinderen ouder werden of wanneer er knechten en meiden op de
boerderij werkten, kregen de avonden soms een ander karakter. Dan werd er wel
eens een kaartspel gespeeld of ging men bij buren op bezoek om wat te buurten.
Toch bleef er één ongeschreven regel bestaan: iedereen zorgde ervoor dat hij
vóór het avondeten weer thuis was, zodat het gezin gezamenlijk de dag kon
afsluiten.
Reacties
Een reactie posten