Het boerenleven in en om Nuth in de vorige eeuw

 

Het boerenleven in en om Nuth in de vorige eeuw: een tijdperk vol verandering

Een beschrijving van het plattelandsleven en de agrarische ontwikkeling in de twintigste eeuw op basis van de herinneringen van Giel Peusens van G’n Nuuj Hoes ( Terstraten Nuth)

Het leven in en om Nuth rond 1900.

Wie na de Tweede Wereldoorlog is geboren, kan zich nauwelijks voorstellen hoe ingrijpend het leven op het Limburgse platteland de afgelopen eeuw is veranderd. Niet alleen de leefomstandigheden van de boerenbevolking zelf ondergingen een grote omslag, ook het boerenbedrijf maakte een ware ontwikkeling door dankzij mechanisatie en technische vooruitgang. Daarbovenop veranderde ook de mentaliteit van de boer: waar vroeger traditie en noodzaak de boventoon voerden, kwam geleidelijk meer ruimte voor ontwikkeling en vooruitgang.

Om dat goed te begrijpen, moeten we terug naar het begin van de twintigste eeuw. In de eerste helft daarvan werd Europa opgeschrikt door twee wereldoorlogen, die ook in Limburg hun sporen nalieten in het dagelijks leven op het land — soms als tegenslag, soms ook als katalysator voor verandering. Rond 1900 was van grootschalige industrie in Zuid-Limburg nog nauwelijks sprake. De steenkolenmijnen waren nog in opbouw en boden nog niet de werkgelegenheid die ze later zouden brengen. Daardoor beschikten boeren in die tijd over relatief veel arbeidskrachten.

Wie niet als kleine zelfstandige boer het hoofd boven water kon houden, was aangewezen op werk elders. Velen trokken daarom de grens over naar Duitsland, waar onder meer de grote industriële werken in Rothe Erde bij Aken werk boden. Dat was geen eenvoudige onderneming: dagelijks legden arbeiders lange afstanden te voet af, vaak omdat openbaar vervoer ontbrak en de fiets nog geen gemeengoed was. Er zijn verhalen van mannen die ’s ochtends al om vier uur vertrokken, urenlang door weer en wind liepen, vervolgens tien uur arbeid verrichtten en pas tegen acht uur ’s avonds uitgeput weer thuis waren.

Voor velen was dat geen houdbare situatie. Daarom vonden de meeste dorpsbewoners werk op de grotere boerenbedrijven in de omgeving, als dagloner of in vaste dienst, vaak met kost en inwoning. Jongens die de school verlieten, kwamen al op jonge leeftijd bij een boer terecht. Kleine boerengezinnen hadden het zelf immers zwaar en probeerden hun lasten te verlichten door kinderen zo snel mogelijk mee te laten verdienen — een extra inkomen én een mond minder om te voeden.

Het was gebruikelijk dat kinderen zich voor een heel jaar verhuurden, met vaste ingangsdata rond april of oktober. De ouders onderhandelden daarbij over het loon. Soms werden er specifieke voorwaarden gesteld, vooral voor meisjes. Zo kon het voorkomen dat de boerin verplicht was om elk half jaar een stevige blauwe werkschort te verstrekken, geschikt voor het zware en vuile werk op de boerderij.

Het loon stelde weinig voor. Voor een jaarloon van rond de 300 gulden moest men  al redelijk ervaren zijn. Daar stond wel tegenover dat kost en inwoning inbegrepen waren, evenals het zogeheten drinkgeld bij de verkoop van vee. Voor een verkocht varken ontving men bijvoorbeeld 30 cent, en voor een big 6 cent — een kleine vergoeding voor het werk van de stalmeid. Als er geen aparte koeienjongen was, kreeg de meid ook het drinkgeld van koeien en kalveren: ongeveer 50 cent per koe en 30 cent per kalf.

Jongens begonnen vaak als koeien- of varkensjongen. Hun werk bestond uit het schoonhouden van de stallen, het voeren en drenken van het vee en — zeker in de zomer — het verzorgen van de weiden. Daarbij hoorde ook het met de riek uit elkaar trekken van de koeienmest in het veld, zodat deze beter kon verteren. Daarnaast begeleidden ze het vee naar andere weiden of zorgden ervoor dat de dieren voldoende vers voer hadden, bijvoorbeeld wanneer ze op stoppelklaver stonden, het zogenoemde “veurhout”.

In drukke tijden, zoals tijdens het oogstseizoen, werd van iedereen verwacht dat hij of zij meehielp waar dat nodig was. Dan werkten zowel de stalmeid als de jongen mee op het land, van vroeg in de ochtend tot laat in de avond. Het boerenleven was hard, eenvoudig en veeleisend — maar vormde tegelijk de basis van een samenleving die sterk geworteld was in arbeid, saamhorigheid en het ritme van de seizoenen.

 

De seizoenen bepaalden het werk

Na de wintermaanden, wanneer het weer het enigszins toeliet, verplaatste het werk zich naar het erf en de boomgaarden. Dan trok men eropuit om hout te kappen en oude fruitbomen te rooien. De stammen werden met de kortzaag in handelbare stukken gezaagd en vervolgens met de kloofbijl tot brandhout gespleten. Ook het takhout ging niet verloren: de dunnere twijgen werden van de dikkere takken gescheiden en samengebonden tot takkenbossen — zogenaamde schansen — die men liet drogen om later te gebruiken in de bakoven. Het zwaardere takhout werd eveneens verwerkt tot brandhout, bestemd voor het stoken van de veevoerketels.

De weilanden waren in die tijd vaak omzoomd door stevige hagen van haagdoorn, die men bewust hoog liet opschieten. Eens in de vijf à zes jaar werden deze heggen met beitel en hamer gekapt en opnieuw verwerkt tot schansen. Tegelijk werden geschikte takken geselecteerd om zwakke plekken in de heg te herstellen en te verstevigen. Dit onderhoud was jaarlijks terugkerend werk, onmisbaar om het vee binnen de weiden te houden.

Met het voorjaar in aantocht begon het schoonmaken van de weiden. Men gebruikte daarvoor zelfgemaakte bezems van dunne doorntakken om het land als het ware “op te poetsen”. Vooral de natte, laaggelegen weilanden en beemden vroegen extra aandacht. In de winter waren daar de sloten en afwateringen al schoongemaakt en waar nodig vernieuwd, zodat het land in het groeiseizoen weer bruikbaar werd.

Zodra het weer het toeliet, begon het echte veldwerk. Mest werd uitgereden en met de hand verspreid, waarna men ging ploegen en zaaien. Alles gebeurde met eenvoudige, vaak primitieve werktuigen die door paarden werden getrokken. Het grootste deel van het bouwland werd ingezaaid met rogge, daarnaast verbouwde men haver, tarwe en gerst. Ook kwamen gemengde gewassen voor, zoals paardenbonen met haver, en hier en daar een perceel spelt — vooral bedoeld als paardenvoer.

Voor het werkpaard zelf werd altijd een ruim stuk land ingezaaid met rode klaver. Een deel daarvan werd gehooid om als wintervoer te dienen. Aardappelen werden wel geteeld, maar meestal op bescheiden schaal. Slechts enkele bedrijven verbouwden ze voor de verkoop aan particulieren. Voederbieten waren er vooral voor eigen gebruik, terwijl sommige boeren — met name in de buurt van een siroopfabriek — al vroeg in de eeuw op contractbasis suikerbieten teelden. Daarnaast had vrijwel ieder bedrijf een klein perceel met wortelen voor het vee.

Het onderhoud van de gewassen was zwaar werk. Wieden en hakken gebeurde volledig met de hand en vergde veel tijd en inzet. Na deze periode brak de tijd van het hooien aan: het gras werd gemaaid, gedroogd en binnengehaald. Daarna volgde de oogsttijd, een van de drukste en zwaarste perioden van het jaar.

Rond half juli was de wintergerst doorgaans rijp en kon het oogsten beginnen. Kort daarna, volgde de rogge, op lichtere gronden soms iets eerder. Vervolgens kwamen tarwe, haver en de gemengde gewassen aan de beurt. Het oogsten gebeurde grotendeels met de hand en vroeg een enorme inzet van iedereen op de boerderij.

Aan het begin van de twintigste eeuw werd het grootste deel van het graan nog met de hand gemaaid. Dat was zwaar en tijdrovend werk, dat lange dagen vergde. Al vroeg in de ochtend trokken de mannen naar het veld, waar zij met de zeis het graan maaiden en schoof na schoof neerlegden. Enkele uren later verschenen de bindsters op het land. Zij brachten niet alleen hun arbeid mee, maar ook koffie en boterhammen voor de zichters, die al uren aan het werk waren.

Zodra de bindsters de mannen hadden ingehaald, begonnen zij met het binden van de schoven. Daarna werden deze in groepjes van tien tot twaalf tegen elkaar gezet, zodat ze goed konden drogen op het veld. Rond het middaguur keerde men huiswaarts om te eten en kort te rusten. Na een paar uur ging het werk opnieuw verder. De bindsters volgden al snel, vaak met grote stenen kruiken bier om de dorst te lessen tijdens het zware werk.

Tegen een uur of vier werd er opnieuw een korte pauze gehouden, met koffie en brood. Daarna werkte men door tot de avond viel. Pas dan keerde men, moe en bezweet, huiswaarts. Na zich wat te hebben opgefrist en het avondmaal te hebben gebruikt, zocht men de rust op om de volgende dag opnieuw vroeg te beginnen.

Op de grotere boerderijen ging het er soms anders aan toe. Daar werden complete percelen in akkoord gegeven aan seizoenarbeiders, die er belang bij hadden het werk zo snel mogelijk af te ronden. Het maaien gebeurde dan vaak in hoog tempo, maar het binden en het opzetten van de schoven bleef meestal het werk van het vaste personeel. Als het weer gunstig was, werden de gedroogde schoven vervolgens naar binnen gehaald en opgeslagen in de schuur of op het erf in mijten, in afwachting van het dorsen in de winter.

Zodra een perceel rogge was binnengehaald en in lange rijen — op de kast — was gezet, werd het land meteen opnieuw bewerkt. De stoppels werden omgeploegd en ingezaaid met stoppelknollen. Wanneer de oogst volledig binnen was of in mijten lag opgeslagen, ging men het land nogmaals bewerken: de stoppel werd “geschild” en geëgd om wortels en onkruid los te maken, die vervolgens werden verzameld en verbrand.

Tegen het einde van augustus en in september begon het zogenaamde akkeren. De grond werd diep omgeploegd ter voorbereiding op het volgende seizoen. Een deel van het land liet men echter slechts licht omgeploegd liggen gedurende de winter — het zogeheten “braken” — bestemd voor de zomergranen en knolgewassen van het volgende jaar. Vanaf half september werd opnieuw rogge ingezaaid.

Na de zogenaamde quatertemperdagen — de laatste week van september — begon het rooien van de aardappelen. Ook dit gebeurde volledig met de hand. Kinderen werden daarbij ingeschakeld om de aardappelen op te rapen. In oktober volgde het rooien van bieten en wortelen, die vervolgens in kelders of in mijten werden opgeslagen.

Men zorgde er altijd voor dat deze bietenmijten rond Allerheiligen goed waren afgedekt, want de winter kon onverwacht invallen. Het laatste werk op het land bestond uit het rooien van het stoppelgewas — de stoppelknollen — die als veevoer dienden. Dit gebeurde vaak onder koude en gure omstandigheden, en menigeen herinnerde zich later vooral de snijdende kou waarin dit laatste werk van het jaar moest worden verricht.

Zodra de winter zijn intrede deed, begon op de boerderijen het dorsen — het scheiden van graan en stro. In het begin van de twintigste eeuw gebeurde dit nog met de hand, met behulp van de dorsvlegel. Vrijwel iedere schuur beschikte over een speciale dorsvloer, meestal gemaakt van leem. Deze vloer werd in de zomer zorgvuldig aangelegd: laag voor laag aangestampt, telkens weer losgemaakt en opnieuw verdicht, totdat hij uiteindelijk zo hard werd als steen. In de winter was zo’n vloer kurkdroog en uitermate geschikt voor het zware werk.

Op deze vloer legde men, afhankelijk van de beschikbare ruimte, tien tot twaalf schoven tegelijk neer. Eerst werden de banden verwijderd, waarna het dorsen kon beginnen. Op kleine boerderijen gebeurde dit met twee man, terwijl men op grotere bedrijven met vier of zes personen tegelijk aan het werk was. Door in een vast ritme te slaan, ontstond een bijna muzikaal samenspel: slag na slag kwam het graan los uit de aren. Wanneer één zijde van de schoven was bewerkt, werden ze omgedraaid en volgde de andere kant.

Na het dorsen werd het stro met een houten gaffel losgeschud, opnieuw samengebonden en netjes opgeborgen. Het mengsel van graan en kaf dat achterbleef, werd tegen de wand van de schuur geveegd. In de namiddag begon men met het schonen van het graan. Aanvankelijk gebeurde dit met de wan: een soort platte, schotelvormige mand van gevlochten tenen, die aan de voorzijde open was. Door deze op en neer te bewegen, werd het lichtere kaf van het zwaardere graan gescheiden.

Mechanisatie van de Landbouw

De wanmolen had ondertussen zijn intreden gedaan, een belangrijke verbetering die het schonen aanzienlijk versnelde. Ook het dorsen zelf onderging veranderingen. In de loop van het begin van de eeuw deden de eerste dorsmachines hun intrede. Dat waren aanvankelijk eenvoudige apparaten: een houten kast met daarin een trommel voorzien van tanden, waarboven een kam was geplaatst. Via een tandwielmechanisme werd de trommel aangedreven door een grote zwengel. Het was zwaar werk en leverde nauwelijks tijdwinst op ten opzichte van de vlegel.

De echte vooruitgang kwam toen de dorsmachine werd gekoppeld aan een manege — een aandrijving die door een of twee paarden in beweging werd gebracht. Deze machines waren vaak uitgerust met een schudder, waardoor graan en kaf direct van het stro werden gescheiden. Het stro kon meteen worden samengebonden. Na ongeveer een uur werken lag er echter zoveel graan en afval onder de machine dat men moest stoppen om alles op te ruimen. De paarden kregen dan even rust op stal, terwijl de dorsvloer werd schoongemaakt en klaargemaakt voor een volgende ronde.

Het vrijgekomen graan en kaf werd opnieuw tegen de muur geveegd en later, meestal rond het middaguur, met de wanmolen gescheiden. Daarna werd het graan naar de opslag gebracht. Zo werkte men de hele winter door, tot alle soorten graan gedorst waren. Het werk was zwaar en vaak onaangenaam, zeker wanneer men in de kou en nattigheid achter de paarden moest lopen om de manege gaande te houden.

Opmerkelijk is dat, zelfs nadat de dorsmachine al in gebruik was genomen, rogge vaak nog deels met de vlegel werd gedorst. Dat had een praktische reden: het stro bleef op die manier gladder en beter bruikbaar. Het gedorste stro werd vervolgens over de repel gehaald om onkruid en korte resten te verwijderen. Het zuivere stro dat zo ontstond, werd stevig gebonden en later gebruikt voor het maken van banden. Daarnaast vond het zijn weg naar de strofabrieken, waar men er onder meer dakbedekking — zogenaamde dakpoppen — van maakte. Met de voortschrijdende mechanisatie en het groeiende tekort aan arbeidskrachten verdwenen deze arbeidsintensieve werkzaamheden echter geleidelijk.

De ontwikkeling van het dorsen ging in de loop van de tijd met sprongen vooruit. Machines werden groter en efficiënter, en de wanmolen en dorsmachine werden samengevoegd tot één geheel. Zogenoemde loondorsers trokken met deze installaties van boerderij naar boerderij. Aanvankelijk werden ze aangedreven door stoommachines, later door dieselmotoren, elektrische aandrijving of tractoren.

Aan het begin van de eeuw verschenen de zichtmachines: eenvoudige maaimachines die door twee paarden werden voortgetrokken. Ze werden doorgaans door twee personen bediend — één om de paarden te mennen en één om het graan af te leggen. Omdat er toen nog voldoende arbeidskrachten beschikbaar waren, konden boeren daarnaast rekenen op een grote groep bindsters — soms wel acht tot tien — waardoor men dagelijks flinke oppervlakten kon oogsten.

Later volgde de zelfbinder, een belangrijke stap vooruit. Deze machine kon niet alleen maaien, maar ook het graan automatisch binden tot schoven. Daarmee werd het groeiende tekort aan landarbeiders deels opgevangen. De zelfbinder bleef in gebruik tot na de Tweede Wereldoorlog. Kort na de oorlog deed de combine zijn intrede: een machine die maaien, dorsen en zelfs het persen van stro in één werkgang kon uitvoeren. Het graan werd direct in zakken opgevangen, terwijl het kaf op het land achterbleef.

Deze machines namen geleidelijk alle eerdere oogstmethoden over en markeerden het einde van een tijdperk waarin de oogst nog grotendeels afhankelijk was van handarbeid en gezamenlijke inspanning op het veld.

Deze nieuwe machines betekenden een enorme besparing op arbeidskrachten, die door de snelle industrialisatie en de stijgende lonen steeds moeilijker te vinden waren. In de jaren daarna werden de machines verder ontwikkeld: groter, krachtiger en met een steeds grotere capaciteit. Maaibreedtes van drie meter waren geen uitzondering meer.

Toch hadden deze technische wonderen ook hun nadelen. Ze vereisten dat het graan volledig rijp was en dat de bodem droog genoeg was om de zware machines te dragen. Op natte, drassige grond konden ze eenvoudigweg niet werken. Bovendien waren de aanschafkosten hoog, waardoor ze vooral in handen kwamen van loonwerkers of zeer grote landbouwbedrijven. De zware machines tastten de structuur van de bodem aan, en het gebruik van kunstmest nam de plaats in van de traditionele stalmest. Daardoor verdween geleidelijk de natuurlijke humus uit de grond, wat de bodem op den duur minder vruchtbaar en stugger maakte.

Met deze vooruitgang veranderde het boerenbedrijf ingrijpend. Veel van het handwerk verdween, en daarmee ook een deel van de sfeer en de gemeenschappelijkheid die het oude boerenleven hadden gekenmerkt. Wat bleef, was een efficiënter, maar ook onherkenbaar veranderd landschap van arbeid en techniek.

 

Het dagelijkse leven: Werken en Bidden

Het dagelijks leven op het platteland werd sterk bepaald door het boerenwerk. Het merendeel van de dorpsbewoners werkte direct in de landbouw, maar ook wie een ander beroep uitoefende, bleef vaak nauw verbonden met het boerenbestaan. De smid, de kleermaker, de timmerman — en zelfs notabelen als de burgemeester en de pastoor — zorgden er dikwijls voor dat zij een paar stukjes land en een kleine weide bezaten. Daarmee probeerden zij, naast hun gewone werk, een deel van hun eigen voedsel te verbouwen: wat graan, aardappelen en, als het mogelijk was, het houden van een koe voor melk en boter.

Vrijwel ieder gezin hield daarnaast een of twee varkens en wat kippen. Voor de minst draagkrachtigen waren geiten vaak een alternatief voor een koe. Wie zelf geen land bezat, maar wel vee hield, kon soms gebruikmaken van een regeling met de grotere boeren: het zogenaamde “boerenmesten”. De boer stelde dan een stuk grond ter beschikking, dat door de kleine man werd bemest en beplant, meestal met aardappelen. Dit was een wederzijds voordelige overeenkomst: de kleine boer beschikte over zijn wintervoorraad, terwijl de eigenaar van het land een goed bemeste akker overhield, geschikt voor een rijke graanoogst. In ruil daarvoor hielp men tijdens de oogsttijd mee op het bedrijf.

Omdat de meeste dorpelingen geen paard bezaten, waren zij voor het zwaardere werk — zoals ploegen, bemesten en zaaien — afhankelijk van de grote boer. Daar stond tegenover dat zij hun arbeid aanboden wanneer dat nodig was: tijdens de oogst, of in de winter bij het werk op de schuur. Ook kinderen werden al op jonge leeftijd ingeschakeld om mee te helpen, zodat zij zo snel mogelijk konden bijdragen aan het gezinsinkomen.

Deze vorm van wederzijdse afhankelijkheid bleef bestaan totdat Limburg langzaam veranderde door de opkomst van industrie. Met de ontwikkeling van de mijnbouw en fabrieken trokken steeds meer mensen weg uit het agrarische bestaan. De boer zag zich daardoor genoodzaakt om het tekort aan arbeidskrachten op te vangen met machines en werktuigen. Waar vroeger het erf vol stond met knechten en paarden, volstonden later één of twee mensen met zware tractoren om het werk te verrichten, vaak aangevuld door loonwerkers.

Naast het harde werken speelde het geloof een centrale rol in het leven van de boerengezinnen. Men was ervan overtuigd dat het wel en wee van het bestaan afhankelijk was van God. Oude spreuken gaven dat duidelijk weer, zoals: “Als de Heer het huis niet bouwt, werken de arbeiders vergeefs.” Bij het begin van zwaar of gevaarlijk werk sprak men vaak: “Laat ons beginnen in de naam des Heren.” De paardenknecht sloeg bij het eerste werk van de dag een kruisteken en begon met een kort gebed.

Ook in het dagelijks leven was dit geloof diep verankerd. Bij het opstaan maakte men een kruisteken met wijwater en sprak men de bekende woorden: “In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” Bij gevaar, zoals onweer, werd eveneens gebeden en riep men de bescherming in van heiligen, waaronder Heilige Donatus, tot wie veel Zuid-Limburgers zich richtten bij dreigend noodweer. Het gezin bad samen, vaak de rozenkrans, en vertrouwde op de zegen van God voor het dagelijks bestaan.

Hoe zwaar de omstandigheden soms ook waren — grote afstanden naar de kerk, slecht weer, sneeuw of modderige wegen — toch gingen de boerengezinnen trouw naar de kerk om te danken en om kracht te vragen voor de komende week. De zondag en de kerkelijke feestdagen waren rustdagen, waarop alleen het hoogst noodzakelijke werk werd verricht, zoals het verzorgen van het vee.

De zondag kende een vast ritme. Het eten was vaak al op zaterdag voorbereid, zodat er die dag zo min mogelijk werk hoefde te worden gedaan. Na de kerkgang kwam men samen aan tafel, waar de vader voorging in gebed. Na de maaltijd werd er afgewassen — waarbij, als er onvoldoende hulp was, ook de jongens hun beurt kregen.

In de winter werd ’s middags het vee nog gevoerd en had men daarna enige vrije tijd. In de zomer zocht men ontspanning buiten. Jongens trokken naar de beugelbaan of kegelbaan, of speelden eenvoudige spellen zoals “strepen”, waarbij men probeerde een munt zo dicht mogelijk bij een getrokken lijn in de grond te werpen.

Later op de dag ging men vaak opnieuw naar de kerk voor het lof. Ook al lag de kerk op een flinke loopafstand, men ging er trouw naartoe. Daarna keerde men huiswaarts, waar koffie en brood klaarstonden. Wie die zondag dienst had op de boerderij, moest eerst het vee verzorgen voordat er ruimte was voor ontspanning.

De jeugd vond haar vermaak in eenvoudige middelen. Toen het voetbalspel zijn intrede deed, was het enthousiasme groot: met twintig tot vijfentwintig jongens achter één bal aan, speelde men tot de avond viel. Het was een eenvoudige, maar hechte en vaak plezierige tijd, waarin men met weinig middelen toch volop wist te genieten.

Tijdens de lange winteravonden speelde het gezinsleven zich vooral binnenshuis af. Men zat dicht bij elkaar, rond de tafel of bij het grote haardvuur, waar de ouderen verhalen vertelden over vroeger. Die verhalen waren vaak doorspekt met fantasie en vertellingen over spoken, heksen en andere geheimzinnige verschijnselen, die bij de kinderen zowel spanning als verwondering opriepen.

Toch had de avond ook een duidelijk vast ritme en een opvoedkundig karakter. De kinderen moesten iedere dag hun catechismus leren. Vader of moeder nam vervolgens de vragen af, zodat de kennis goed werd ingeprent. Rond acht uur werd het avondeten opgediend, waarna het gezin gezamenlijk de rozenkrans bad. Het geloof vormde ook hier weer een vast onderdeel van het dagelijks leven.

Tegen negen uur zocht men de rust op. Voor het slapengaan maakte de vader — of een al meewerkende zoon — nog een laatste ronde langs de stallen om te controleren of het vee rustig was en of poorten en deuren goed gesloten waren. Pas daarna ging ook hij naar bed. Zo leefde de boerenfamilie volgens een strak dagritme: vroeg naar bed en even vroeg weer op, klaar voor een nieuwe werkdag.

Wanneer de kinderen ouder werden of wanneer er knechten en meiden op de boerderij werkten, kregen de avonden soms een ander karakter. Dan werd er wel eens een kaartspel gespeeld of ging men bij buren op bezoek om wat te buurten. Toch bleef er één ongeschreven regel bestaan: iedereen zorgde ervoor dat hij vóór het avondeten weer thuis was, zodat het gezin gezamenlijk de dag kon afsluiten.

 

 

 

 

 

Reacties